27 Januari 2011 – Kumarakom – Kerala, India

Indische ralreiger

Indische ralreiger

Het gele oogje volgde me. Over mijn schouder zag ik de stille snavel van de Indische ralreiger roerloos naar wat kleine visjes onder het wateroppervlak wijzen, alleen zijn gele oogje bewoog, het hield mij in de gaten terwijl ik over het bruggetje liep. Nu zaten we in een motorboot, en weer vlogen de ralreigers pas op als je ze haast aan kon raken. Allemaal met dezelfde indringende gele oogjes, alsof ze iedereen bij naam noteerden. Ons werk zat erop, dit was onze afscheidsboottochtje, om toch ook te zien in wat voor een paradijselijke omgeving we al die tijd gelogeerd hadden.

Ik was opgelucht, moeilijke momenten waren er genoeg geweest. Na een lange dagvlucht vanuit Brussel overnachtten we in Mumbai. Daarop volgden een vlucht naar Kochi en een lange autotocht naar Kumarakom. Als adviseur word ik vaak pas op het laatste moment, als de zaken vastlopen, ingeschakeld. De hotels zijn dan al geboekt, zijn die vol dan word ik in een hotel achteraf geplaatst. Dit keer was het extreem, geen GSM netwerk, onbruikbare WiFi, geen internationale telefoon vanuit de kamer en een balie die niet wist hoe naar België te bellen. Maar ik genoot, als een klein kind dat zich stiekem buiten het tuinhek waagt. De tijd wierp zich als in een bocht, niemand kende me hier en niemand kon me bereiken, even was de tijd van mij alleen. Een paar uurtjes voelde ik me niet langer een van die marionetten die aan telecommunicatielijnen over de wereld gedanst worden. Maar lang hield ik het niet vol, mijn vorm van MS kan zich in levensbedreigende aanvallen uiten. Ik verhuisde naar de eerste de beste gecancelde kamer in het hotel van ons team.

 Kumarakom is een soort Giethoorn in India, alle vervoer vindt plaats per boot. Het hoogst liggen de huizen, als op een soort dijk. De vaart ligt lager, en nog onder het niveau van de vaart liggen de rijstvelden, de paddy fields. Een vertrouwd gezicht, die lage onder het schip liggende velden, voor ons polderbewoners. Alle huizen liggen aan de vaarten, te voet kan je alleen van huis naar huis of naar de achter de huizen gelegen rijst paddies lopen. Het water dient niet alleen het vervoer, voor ieder huis was een lage wasplaats aangelegd. We zagen dat er vanalles gewassen werd; kleren, vaat, voeten en versgevangen vis. De huizen zijn net zo kleurrijk als de kleding van de Indiërs; cyclaam roze, oranje, okergeel, lichtgroen, lichtblauw,… Vaak passen zelfs de struiken en bloemen bij de kleur van het huis. In het stille water spiegelden de kokospalmen, en bij tijd en wijle voeren we onder een bladerdak van mangobomen door. Af en toe liep de schoep vast in de grote pollen waterhyacinthen. Delen van het water waren bedekt met diep roze of witte waterlelies. Zwarte aalscholvers, verblindend witte kleine zilverreigers en groenig glanzende zwarte slangenhalsvogels hielden zich erin op. Als we te dichtbij kwamen vlogen ze met een lome vleugelslag voor ons weg. Het was van een zo betoverende schoonheid dat zelfs de armoede niet opviel. Een jonge vrouw stond naast haar grauwe huis naar onze boot te kijken. De man leunde tegen een veranda post, alle posten hadden zwarte vuile vlekken op schouderhoogte. Haar zoontje op haar arm zwaaide enthousiast naar ons, de vrouw glimlachte vriendelijk met haar blinde witte oog.

 “Wat zijn die paddies groot”, hoorde ik achter me. Helgroene velden schenen door de bananen- en palmbomen heen. “Een paar hectaren”, kwam het antwoord. Ik hoorde mijn collega’s al denken en rekenen; “Het zal niet lang meer duren eer India een geduchte speler op wereldhandelsniveau wordt!” Maar mij speelde een ander verhaal door het hoofd. Niet lang geleden spraken we een Indiase vriendin die vol enthousiasme over Kerala vertelde; “In Kerala was het vroeger net zo’n schande om je vader te kennen, als het was om bastaard te zijn in Europa! De maatschappij is er van oudsher puur matriarchaal, alle bezit werd via de vrouwelijke lijn doorgegeven. De belangrijkste man in een huishouden was de broer van de moeder, en andere mannen werden in afzonderlijke hutjes aan de rand van de gemeenschap ondergebracht. Het waren doortrekkende loonwerkers of krijgslieden, als jonge vrouw zocht je er eentje uit die je wel beviel. Maar je vertelde niemand wie het was. De wetten zijn nu aangepast, maar Kerala is nog steeds matriarchaal, waar gemeenschappelijk bezit overheerst.” Ik boog me over naar de schipper om hem tussen het pruttelen van de motor door te kunnen vragen van wie die rijst paddies waren; “Van het hele dorp, ieder familie bewerkt een klein deeltje en samen zorgen ze voor de watertoevoer en het onderhoud van de dijken”. “Geen rijst voor de wereldmarkt”, dacht ik, “en het is nog net zoals onze vriendin vertelde.” Al eerder hadden we gehoord dat Kerala een van de meest welvarende staten met het minste analfabetisme van India is. Ook volgens onze gastheren kwam dat doordat de samenleving matriarchaal is; “maar het is wel iets veranderd, mannen mogen tegenwoordig bij de vrouw intrekken.”