Söll Hohe Salve

Filzboden

In dit bosje ligt de skihut

27 Februari 2009 De dichte sneeuwval is gestopt. Het is even rustig op de piste en minder koud.  De scherpe lijnen van de donkergroene sparren zijn opnieuw onder de sneeuw verdwenen. Johan, Freerk en Neeltje zijn de Hohe Salve opgegaan. Al een paar dagen keken ze heimelijk naar dit moment uit, en toen ik even rustig wilde zitten grepen ze de kans.  Ik had zelf voorgesteld een extra kop chocola in een berghut te drinken, terwijl zij nog een keer een rode of misschien zelfs zwarte piste af zouden gaan.

De Hohe Salve boven de sparretoppen

Ik ben aangeschoven op de lange bank tegen de berghut, naast mij prikt een Italiaanse met een plastic vork in de lasagna. Ze haalt een hapje omhoog, proeft en laat de rest staan. Een paar meter van ons vandaan rusten de onderste takken van de sparren op de sneeuw. Kinderen hebben er holen in gemaakt, de takken zijn het dak. Tussen de dicht op elkaar staande sparren ziet het slechts diepgroen en zwart, boven hun toppen schittert de Hohe Salve. Inmiddels hebben de wolken zich ook teruggetrokken van de hoogste pistes. Ik staar naar de skieërs, als een stille stroom zwarte mieren bewegen ze langzaam naar beneden. “Hebben ze de rode of de zwarte genomen?”, vraag ik me af. De lucht is ijl, in de verte zijn alleen wit, zwart en daartussen alle tinten blauw te zien. In deze weidsheid zijn de skieërs niets meer dan wat zwarte spikkeltjes, hier en daar stromen ze in vage linten over de flanken van de bergen naar beneden. Ik tuur naar de spikkeltjes, tevergeefs op zoek naar mijn vertrouwde drietal, maar van zover zijn ze allemaal eender, en zelfs alsof er niets eigens in ze omgaat. Hoe anders moet dat zijn voor Neeltje; ze is nog maar zelden een zwarte piste afgegaan. Of voor Freerk, die helemaal opgaat in het net geleerde ‘kanten’ van zijn skieën, of voor Johan, die ze weer veilig beneden moet krijgen. Ik had er graag bijgehoord, toch ben ik blij met mijn rustige plekje op de bank.

Net mieren

Nog voordat ik mijn chocola opgedronken heb onttrekt een nieuwe sneeuwbui de bergtoppen aan het zicht. De skieërs die uit het sneeuwgordijn opduiken lijken in niets meer op mieren. Nu zijn het alpenkraaien; bij de hut richten ze zich op, slaan de armen als vleugels naar opzij uit, als om af te remmen. En als ze vertrekken hoppen ze onhandig een paar keer op hun skieën vooruit, tot ze met een sierlijke zwaai de berg afzeilen.  Met hun felrode poten en snavel steken ze af tegen het zwart van de kraaien in het dal, net als wij in onze felgekleurde skipakken. “Zou dat door de witheid van de sneeuw komen?” vraag ik me af. Het landschap is even sprookjesachtig en overweldigend mooi als jaren geleden toen Johan en ik nog alleen op pad gingen. Eigenlijk is er niets veranderd; het leven om me heen boeit me net als vroeger en niemand die me op de bank opmerkt of wat aan me ziet. Toch is alles anders. Het is de eerste keer dat ik met mijn spuiten op pad ga. Een jaar geleden, tijdens onze wintervakantie in Krvavec begonnen de duizelingen (link naar Krvavec).

Felrode snavels

Er wordt Engels, Duits en Nederlands om me heen gesproken. Terwijl ik wat mijmer over waar Oostenrijk op de piste nog te vinden is, komen Johan en de kinderen druk Nederlands pratend opdoemen uit de sneeuw. “We hebben de zwarte genomen”, vertellen ze me vol trots.

We hadden gekozen voor een hotel in het dal, zodat ik in de bossen kon wandelen of langlaufen als het skieën niet zou gaan. Het blijkt een rustig niet pretentieus hotel te zijn, waar de meeste gasten al jaren achtereen komen. De keuken is 100% bio, uit overtuiging en al tientallen jaren lang. Het ligt in het zonovergoten dal, iets hoger, waardoor je uitkijkt over het dorp en een stil bevroren meertje achter het dorp. De kamers zijn ruim en gezellig ingericht met oude grenen meubels. De eigenaren zijn erg vriendelijk, ze hebben een klein draagbaar koelkastje voor mijn spuiten op onze kamer gezet.

Eigenlijk is alles goed, maar terwijl ik op het bed wat schrijf in mijn dagboekje welt het verdriet in me op. De late avondzon schittert in de meterslange ijspegels aan de dakgoot, het vrolijke rood van de alpenkraaien maakt plaats voor het zwart van de nacht. Het skiën voelt niet goed, niet dat ik bang ben, maar ik val steeds. Toch kan ik niets vinden; op mijn tenen, mijn hakken of over een rechte lijn lopen gaat goed. Mijn neus vind ik nog steeds en ik kan met mijn ogen dicht mijn armen uitstrekken zonder te vallen. Iedere keer weer spelen dezelfde vragen door mijn hoofd: “Is er dan niets? Verzin ik dit? Ben ik toch bang? Wordt dit mijn laatste keer skiën?” Een jaar lang kreeg ik van de neuroloog te horen dat het wel meeviel, tot de laatste MRI-scan van mijn hersenen; er waren er twee aangetaste plekken bijgekomen. Een in het gebied dat te maken heeft met het zicht in mijn linkeroog en een in mijn kleine hersenen. Zelf merk ik niets aan mijn oog. De plek in de kleine hersenen kan evenwichtsproblemen geven, maar daar is ook niets van te vinden. Of zou het skieën daardoor toch slechter gaan?

Alles is zo duister, ik weet niet wat ik heb en waar ik naar toe ga. Maar ook niet wat ik in het verleden gehad heb. Men zegt dat het om steeds weer nieuwe evenwichten vinden gaat, maar daar ben ik nog lang niet. Het is eerder het tegenovergestelde, er zijn steeds vaker situaties zijn waar mijn hoofd van op tilt slaat. Zoals het kibbelen van Freerk en Neeltje, dat doen ze veel.

Gisteren was ook een trieste dag, ik raakte mijn sleutels kwijt en vergat mijn ski’s mee te nemen van de parkeerplaats. Is dat ook weer de ziekte? Tot nu toe was ik degene die het overzicht hield. “Gaat dat niet meer? En wie doet het dan voortaan?” vroeg ik me af. Ik vergat zelden iets en handelde allerlei zaken tegelijkertijd af: “Is dat nu anders? Kan ik het niet meer of valt het met de cognitieve problemen wel mee?”

Januari 2008 – Vertiges violents

Onderweg terug

Sneeuw op terugweg van onze skivakantie

De terugreis vanuit ons skioord hadden we weer zo gepland dat we in Zuid-Duitsland konden slapen. Maar dit keer reed Johan alleen. Ik was gehuld in een onbekende grijze mist.

De GPS nam het over, dat maakte het verlaten van de snelweg tot een nachtelijk avontuur. In het dorp glommen de straten zwart in het licht van de straatlantaarns. Je moest de sneeuw in de tuinen zoeken.  Grote solide alleenstaande huizen achter kleine tuintjes gaven aan dat we in Zuid-Duitsland waren. Alleen de geraniums op de balkons ontbraken. We waren van de snelweg afgegaan op zoek naar een bed voor de nacht. Het werd een bierstube. De vriendelijke waardin sprak Neeltje en Freerk wat woorden toe in haar streekdialect. Johan genoot van zijn halve liter pint.

aankomst hotel

Onze kamer had uitzicht op de kerk en het station. We sliepen in het hart van het dorp. Mijn blik vanuit de kamer rustte zorgelijk op de kerktoren en het treinstationnetje. Maar we sliepen allemaal goed, ik werd wakker door de wekker en niet door de kerkklokken of vroege treinen. Ik voelde niet veel verandering, misschien was ik nog wat duizelig. Nietsvermoedend ging ik rechtop zitten in mijn bed. Van wat volgde herinner ik me vooral een erg boze Johan. Ik was met geweld boven op hem gevallen. Geen waarschuwing, geen pijn alleen het heel plotseling omgezwiept worden. Alsof iets me met grote kracht op de grond smeet. Als een Tibetaanse gebedsmolen tolde ik linksom bovenop Johan. “Vertige rotatoire violent” heet dat in het Frans, zoiets als een gewelddadige duizeling.

December 2007, Krvavec Slovenië – Mijn eerste duizelingen

Ons pension

Ons pension op de piste in Krvavec

‘De Kroaten komen eraan’; klonk het geregeld. Niet altijd een hartelijk welkom begrepen we in de dagen die we in Krvavec rondgeskied hadden. Groepen schooljeugd in ski-jacks met het Kroaats rood-witte schaakpatroon doken steeds voor ons onder de controlepoortjes door. ‘Kroaten’; mompelde de waard achter de bar als lawaaierige sneeuwscooters de nachtelijke rust op de piste verstoorden. Een teken dat er veel om ons heen gebeurde wat we niet begrepen.

De Kroaten in ons pension kwamen om oudjaar te vieren. Het was het hoogst gelegen hotel met een prachtig uitzicht over Ljubljana. Ze brachten behalve vuurwerk en champagne ook een virus mee. Zonder dat ik me er bewust van was luidde dit virus een nieuw tijdperk in. In de dagen na oudjaar lag een groot deel van de gasten met darmklachten op bed. Ook mijn zoon Freerk, en ik volgde. Freerk miste maar één dag skieën. Maar voor mij werd misselijkheid opgevolgd door een onheilspellende duizeligheid. ‘Een beetje’ antwoordde Freerk als ik hem ernaar vroeg, al snel veranderde dat in een geirriteerd ‘Nee mam, ik ben niet duizelig’. Alles om me heen draaide, altijd linksom rond mijn stilstaande hoofd.

Helleboris langs de piste!

De dag van ons vertrek wist ik de zwarte piste, de enige afdaling vanuit het pension, meer staand dan zittend af te komen. Toch had ik een onbestemd gevoel, iets moest heel erg mis zijn. We groeven onze auto uit aan de voet van de berg. Vanuit het bos klonken de voorjaarsgeluidjes van de mezen. Op beschutte plaatsen langs de pistes hadden we al bloeiende helleborus gezien. 

Sneeuw en wolken

De zon is door zijn dieptepunt heen. Terwijl de steden zich opmaken voor de ergste kou, begroet de natuur de warmer wordende zon. Het verrast me iedere keer weer hoe het leed nog volgt als het kwaad al gekeerd is. We reden met weemoed het smalle bergweggetje af. Johan reed alleen. De duizeligheid werd almaar erger, het was alsof ik in een donkere wolk gehuld werd. Dit gaat de seizoenen voorbij.

Enhanced by Zemanta