Geld stinkt wel! Weer op weg naar New Delhi.

Proud to be an Indian

"I am proud to be an Indian. Freedom of mind is the real freedom", verwelkomde me op de borden in de nieuwe luchthaven van New Delhi

29 Januari 2012, zondagochtend. Op de kleine videoschermen voor ons verscheen geregeld een update over hoe onze tocht vorderde.  “Vienna. Austria” schoof net onder het gele vliegtuigje op de wereldbol door toen mijn stoelmaat knoflookbrood bestelde. Dit keer was mijn vluchtmaatje een Indiase jongeman. Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat hij in designerjeans, een colbertje en een slobberig T-shirt gekleed ging. Hij had een scherp uitgesneden gezicht, wat ik niet verwachtte. Ik was op weg naar New Delhi.

In de dagen voor het vertrek was het werk als een geplande chaos over me heen gerold, de gebruikelijke voorbereiding voor het eeuwige ‘nu-of-nooit-moment’. Vergaderingen werden afgewisseld door zenuwachtige pogingen om visas te bemachtigen en onwelkome berichten over gesloten ambassades, door beoordelingsgesprekken, co-ordinatievergaderingen en een zakenlunch met medestanders. De resterende tijd werd strak opgevuld door een overweldigende massa aan documenten die op het laatste moment volledig herschreven moest worden. Tussendoor hield de continue stroom van verslagen en verzoeken om advies aan. Mijn middagdutjes moest ik noodgedwongen inkorten en ik kwam nauwelijks aan rennen toe. ’s-Avonds waren er de dierbare momenten met onze zoon en dochter die hard op weg zijn hun eigen toekomst te kiezen. Maar het ging me vlot af, ik voelde me beter dan in de maanden ervoor.

Op Zaventem was het onverwacht kalm, ik voelde een prettige spanning bij het idee dat ik snel boven de wolken zou zijn. Ik had me de voorafgaande dagen afgevraagd of de angst nog komen zou. Maar de paniekaanval zoals bij mijn laatste vlucht in november naar Peking bleef uit. Toen hadden Johan en ik ons bij onze afscheidskoffie geërgerd aan de in zwart gestoken meisjes achter de Starbucksbalie die alleen oog hadden voor mannen, niet voor passagiers. En ik had ruzie gemaakt over de verbouwing maar de paniek die door mijn hoofd spookte had ik voor Johan verborgen gehouden. Gejaagd had ik de fastlane door de douane genomen, binnen vijftien minuten zat ik toen op ‘3 K’ een plaats bij het raam. Net voor de GSM’s uitgeschakeld moesten worden hoorde ik nog even Johan’s geruststellende stem.

De ochtend voor deze reis was ik gerust wakker geworden. Geen enkel moment, ook niet eerder in de week had ik dezelfde angst gevoeld als toen ik naar Peking reisde. Ik was toen bang geweest om zo ver van mijn familie en neuroloog verwijderd te zullen zijn. Dit keer was daar niets van te bekennen. Ik draaide me nog een paar keer om om naar Johan te zwaaien, vervolgens snelde ik me naar de securitycheck.

Mijn handbagage schoof een paar keer heen en weer door het röntgenapparaat. “Insuline”, vroeg de achter het scherm ineengedoken controleur? “Nee, een ander medicijn”, antwoordde ik. Met een achteloos gebaar wuifde hij mijn voorstel om het blauwe doosje open te maken weg. Om mij heen gingen medereizigers op in het aangespen van riemen en het omslachtig aantrekken van laarzen. Boven bij het vliegtuig aangekomen bleek ik nog voldoende tijd te hebben. Er zat weinig beweging in de lange kleurige rij reizigers.

“De deuren zijn nog niet open, u kunt beter boven wachten”, klonk het ongevraagd toen ik naar de rij passagiers voor de slurf keek, “de vlucht is vertraagd”. Een slanke vrouw met kort blond haar keek me aan. Ze had mooie weemoedige bruine ogen. Niet alleen haar fijne rimpeltjes maar ook de vluchtigheid waarmee ze me aansprak deed me denken dat kaartjes controleren niet haar werk kon zijn. Terwijl ik nog nadacht over wat haar hier gebracht had en wie op dit vroege uur voor haar kinderen zou zorgen, stak ik mijn fastlane ticket in mijn paspoort. Langzaam schuifelde ik met kleurige tulbands, grijze lange baarden en potige kaalgeschoren gelukszoekers in zakenoutfit richting vliegtuig.

In het ronde gewricht, waar het laatste stukje van de slurf richting vliegtuigdeur gedraaid wordt, stond een magere oude man. Hier en daar staken nog wat blonde plukken tussen zijn grijze piekhaar. “Security” stond er op zijn jack. Ik schatte hem ver boven de zestig. Een pezige spier werd over de hele lengte van zijn magere nek zichtbaar toen hij zijn hoofd opzijdraaide. Aan zijn voeten lagen wat documenten in plastic hoezen. “Zou hij hier zijn om aan de voet van het vliegtuig vertrouwelijke spoedstukken te overhandigen?”, ik kon me niets beters bedenken, hij leek in niets op de jonge securityguards die je ook wel rond ziet paraderen. “Is dit ons voorland als we straks allemaal tot onze zeventigste moeten werken”, vroeg ik me af?

Een norse jongen met een dikke buik gebaarde, zonder me aan te kijken, dat ik naar rechts moest toen ik door de vliegtuigdeur stapte. Dat veranderde direct in een lichte buiging toen hij mijn ticket zag;”Verexcuseer mevrouw, tweede gangpad naar links”, hij liep een paar stappen met me op.

Er was een raamplaats ‘1 K’ voor me gereserveerd, zodat ik Brussel uit het gezicht kon zien verdwijnen. Net als het schietgebedje hoort dit tot mijn vertrekritueel. Maar ik kreeg een gangplaats. Het duurde even eer mijn stoelgenoot zich aandiende; een jonge man, hij stonk enorm. Ik besloot om bij de cabincrew na te vragen of ik niet mijn gereserveerde plaats bij het raam alsnog kon krijgen. De stoel bleek kapot te zijn. Ik koos voor het halfvolle glas en besloot te blijven zitten; mijn stoelgenoot zou toch niet de hele vlucht stinken, en zo kon ik ook nog wat rusten.

Deze keer vlogen we overdag, maar in de verduisterde cabine wees niets om me heen op de dag. Direct na het opstijgen startte als altijd de ijzeren routine van het ‘drankje-krantje-warm-eten-slapen-ontbijt’ van de business-class. Dat was half elf zondagochtend. Binnen anderhalf uur werden de laatste borden weggehaald en de lichten gedimd. De exotische geuren van Indiase gerechten hingen nog in de cabine. Een paar uur eerder had ik de voordeur achter me dichtgetrokken, ik was met mijn gedachten nog bij Freerk en Neeltje. Het was te onwezelijk om te gaan slapen op hetzelfde moment dat zij thuis begonnen te staan. De meeste stoelen om mij heen stonden in de slaapstand, een enkeling keek video’s of was aan het werk.

Mijn vluchtgenoot was ook gaan slapen, maar hij snurkte zo luid dat ik oordopjes moest gaan vragen. Toen werd hij wakker om naar de WC te gaan. Het was duidelijk waarom. Geld stinkt soms toch wel!