Delhi voor het laatst?

Delhi hotel

Rode roosjes bij het groene zijden kussen op de bank

9 september 2012 Dit keer is anders, de spanning voor wat komen gaat lijkt te ontbreken. Niet onplezierig, toch overvalt het me. Misschien hoort het bij deze schitterende nazomerdagen, die zich traag uit de herfstige kou van de ochtend weten te onttrekken. Voorheen gaf een zakenreis me respijt; een paar dagen het lot tarten, zonder familie, vrienden en vertrouwde zorg. Even met een reuzesprong boven de wolken in een vreemde wereld afdalen. Dan zette ik mijn koffer op de loopband met datzelfde jubelende gevoel wat je overvalt als de zon op het fluorescerende groen van de uitlopende beukenbomen valt. Wordt het zwaar of is het slechts de voorbode van de winter?

Twee torenvalken bidden vlakbij elkaar boven de geschoren luchthavenvelden; vrouwtjes, of een moeder die haar jong leert jagen. Ik zie geen enkel konijntje. We taxiën vlot weg van de slurf, om dan lang op onze beurt te wachten. Het maakt niet uit, het is zondag. In een haakse bocht naar links ligt de startbaan. Als wijdbeense bulldoggen schuiven de vliegtuigen met hun buiken over het astfalt van ons weg. In de verte zindert iedere keer even een kerktorentje in de verzengende hitte van de startende motoren. Een van de valkjes bidt in het raampje achter mijn schouder.

Ik zie dat mijn collega zich in de tweede visgraat, ook bij de raampjes, geinstalleerd heeft. Hij heeft zijn zwarte T-shirt weer aan. Een broodmagere fitte engelsman, wat ouder dan ik. Met heel andere aspiraties dan waar hij uiteindelijk beland is. Onze kinderen zitten op dezelfde school en zelfs een paar lesuren in dezelfde klas. Wij delen ‘India’, met veel koffie of thee bereiden we ons voor, vaak in de bedrijfskantine. Zijn tanige lichaam, golven van grijzend blond haar en vriendelijke trekken verdragen geen strak gesneden maatpakken. Ik zie hem alleen bij officiële besprekingen in kostuum.

Tijdens onze laatste voorbespreking kwam het op de vergaderingen die we al samen in New Delhi gedaan hadden. ‘Zullen we een lekkere curry uitzoeken, met een goed glas bier,’ stelde hij met meer nadruk dan anders voor, ‘Het kan wel eens mijn laatste zakenreis worden. Ik denk erover om met pensioen te gaan.’  ‘Ben je van mening veranderd’, vroeg ik verbouwereerd? Eigenlijk had ik hem willen zeggen dat het ook voor mij aan het veranderen is.

Hij steekt zijn hand op, even later staan we te praten. ‘Ik denk dat ik ga slapen, het was laat gisteren.’ In het niemandsland boven de wolken zijn er geen tijden, alleen menu’s, de laatste films, en voor wie wil ‘laptops vol werk’ of ‘slapen op klaarlichte dag’.  Mijn collega gaat slapen, ik ga schrijven.

De vliegtuigmotoren beginnen te gieren. ‘Ladies and gentlemen, your captain is speaking…’ Het rituele schietgebedje komt van ver, ik ben er niet echt bij. Snel hijst het vliegtuig zich aan zijn vleugels door de dunne ochtendnevel omhoog. Boven Brussel hangt een vuile veeg door de tot wolkjes verdichte nevel. We klimmen stijl omhoog, weg van België waar het vandaag 28°C zal worden, ongekend warm voor september. Ik rol schuin naar achteren in de visgraatstoel.

De veldjes in de lappendeken onder ons worden snel kleiner. Naakte kleine akkers, sommigen wat voller bruin dan anderen. Hier en daar staat nog het goud van de graanstoppels te wachten tot het ondergeploegd wordt. Het graan ligt al weken ergens in een silo. De bruine akkers worden hier en daar onderbroken door het uitgebluste groen van weiden. Alleen in het glanzende blauwgroen van de bietenvelden of in het diepe olijfgroen van maisvelden blijft de vertrekkende zomer nog wat hangen.

Langzaam kruipen we omhoog tot ik onder me geen huizen of velden meer kan zien.