Ripped-off in de Audi Taxi in Beijing

Aankomsthal van Beijing International Airport
Aankomsthal van Beijing International Airport

Achter ons sloot zich het diepe zwart van de nacht, langzaam zakten we door de wolken  naar Beijing. We konden nauwelijks iets onderscheiden in de duisternis onder de buik van het vliegtuig, slechts enkele vaag oplichtende lijnen van onverharde wegen tekenden zich af in het donkere land. De wegen  liepen naar groepjes huizen en erven zonder licht. Geleidelijk kropen de huizen dichter bij elkaar; we schoven over de buitenwijken van Beijing. Straatlantaarns op kruispunten en kleine  binnenplaatsen tekenden een  regelmatig patroon van rechthoeken over de stad. Dichter naar het centrum toe kleurden rode lichten op de hoeken van hoge gebouwen de patronen verder in.

Ik staarde vanuit de klaarlichte cabine naar de slapende stad. Rondom me rook het nog naar koffie, de stewardessen hadden zich al vastgegespt en de rust was weergekeerd na het nerveuze gekletter van de ontbijtborden. “De enige tijd in een vliegtuig is de lengte van de vlucht”, dacht ik, “je eet en slaapt op commando, niet als je honger hebt of moe bent.” Ik probeerde me los te maken van het angstige gevoel wat me deze reis vergezelde, de tijdloosheid van de vlucht had me slechts meer van de werkelijkheid afgesneden. Als in een waas liep ik door de vliegtuigslurf de vroege ochtend in.

Vierentwintig jaar geleden was ik ook in China, we trokken toen drie weken door China, daarna ben ik er nooit meer geweest. Ik reisde met mijn ouders in een reisgezelschap China rond, in die tijd voor toeristen de enige manier om het land binnen te komen.

Vooral de argwaan en de afwezige drukte van een gemeenschap waar we geen deel van uitmaakten is me bijgebleven. Als je toen even van het uitgestippelde pad afweek, bijvoorbeeld door naar wat lage oude houten huizen in de buurt van een monument toe te lopen, stonden oudere chinezen verschrikt op of verborgen zich achter een dikke boom.

Waar we ook maar heengingen troffen we overweldigende mensenmassa’s. Ik zie ons nog steeds via een loopbrug een voetpad oversteken en hoe we verwonderd stilstonden om naar beneden te kijken; dicht opeengepakt schuivelde een menigte mensen, soms duwend en soms trekkend onder het bruggetje door. Er waren wel wat auto’s maar die konden zich alleen toeterend en slechts bijna stapvoets door een wirwar van fietsen en karren heenwringen. Iedere fiets had een fietsbel zo groot als een halve pompelmoes, s’nachts gingen we slapen met het getinkel van de fietsbellen nog in de oren.

Ik zette ik me schrap voor het Beijing uit mijn herinneringen en verwachtte een luchthaven vol drukte, tapijten en overvolle groezelige gangen. Buiten zou het lawaai van fietsbellen en toeterende auto’s nog luider zijn dan in het oude Beijing.

Zo was het niet, het was stil. Het ochtendgloren had  de duisternis nog niet verbroken. Even twijfelde ik of ik nog wist waar ik was, dit was niet het China wat ik verwachtte, maar ook niet het vage Zaventem waar ik een halve dag eerder opgestegen was. Ik voelde vooral de beklemming waarmee ik van huis vertrokken was en de mist in mijn hersenen. Tegelijkertijd was het nieuwe China overal om mij heen, overweldigend maar ook zo ingetogen dat het aan mij voorbij ging. 

De hal waar we in uitkwamen was hypermodern en ruim, het overtrof de meest moderne luchthavens in het Westen. De vloeren bestonden uit gladgepolijste glimmende grijze natuursteen.  Lage hekken scheidden komende en vertrekkende stromen passagiers. Comfortabele loopbanden waar je het einde niet van zag voerden je vlot naar de douane. Een enkel gezicht staarde me vanuit de verte onbeweeglijk aan, alleen platte petten en lange zware donkere jassen en grote zwarte donkere schoenen kon ik onderscheiden.

Een paar keer stuitte ik op een bord met vreemde kinderlijke poppetjes die “aliens” aanmaanden om zich direct te melden. Ik dacht dat het niet over mij ging. Op strategische plekken stonden zwijgende mannen in lange jassen naar de voortsnellende passagiers te staren, hier en daar liepen donkergeklede vrouwen met notitieborden in de armen geklemd, maar niemand vertelde me waar ik me moest melden. De jassen wisten dat de stroom me naar het juiste loket zou voeren. De vrouwen maakten notities.

Taxi standplaats in Beijing International Airport

Taxi standplaats in Beijing International Airport

Het was te vroeg voor engels. Het was ook te vroeg om door bekenden van de luchthaven opgehaald te worden. In de aankomsthal waren sommige balies bemand, maar alle geschreven aanwijzingen waren in het chinees, de dollar-, yen en yuan-tekens gaven aan dat je er waarschijnlijk geld kon wisselen, het woord taxi stond nergens. Ik sprak meerdere personen tevergeefs aan, uiteindelijk gebaarde iemand me waar buiten de “official taxis” stonden. Mijn geschreven instructies vertelde me dat dat de enige betrouwbare taxis waren.

In de vrieskou buiten de hal prikkelde een lichte brandlucht in mijn keel, het eerste wat me aan het oude China deed denken. Achter het dranghek stonden drie rijen taxis opgesteld, geel met groene en een enkele donkere oude audi, allemaal hadden ze een taxilicht op het dak. “Yes, we official, we have metel. This metel”, kreeg ik als antwoord, “200 renminbi, 20 minutes hotel”. Dat klopte ongeveer met mijn omschrijving. De koffer verdween voor ik het door had in de achterbak. Met meer haast dan nodig reed de taxi onder de overkapping van de luchthaven uit, het was nog steeds erg stil.

 “Vely good cahh, this Audi-taxi. This cahh Audi. Audi vely good cahh, hi hi. Miss know Audi?”, ik begon me zorgen te maken. “Yes, I know Audi, it is a very good car”, ondertussen probeerde ik op de meter te volgen hoe het bedrag opliep, maar de taxichauffeur had het apparaat weer onder zijn stoel gestopt. Toen hij vervolgens tussen de bedaarde rijen verkeer van links naar rechts schoot en zelfs over de vluchtstrook inhaalde begon ik te twijfelen. Ik vroeg me af hoe dit me had kunnen gebeuren, hoe ik om vijf uur s’ochtends juist in deze taxi was beland. “Vely good cahh, missy, Audi vely fast”.

Het was te vroeg om iemand te bellen, bovendien voelde ik een oud sprankje verzet in me wakker worden; “Als ik dan toch met mijn gatenhoofd in deze dolle taxi zit kan ik er beter van genieten. Zo gebeurt er nog eens wat in mijn afgeschermde bestaan”. Direct vemaande ik me; “Onverantwoord, ik ben gestuurd om resultaten te halen, niet om me in de nesten te werken”. De gebouwen langs de weg werden hoger, er kwamen steeds meer verlichte ramen, reclameborden en etalages. Ik ontspande wat; dit moest betekenen dat naar het centrum op weg waren.

De wegen waren glad geasfalteerd, meerdere stroken breed en behalve onze taxi reed niemand harder dan vijftig kilometer per uur. Niemand toeterde. In twintig minuten zag ik slechts twee fietsen, zonder grote bellen, en maar één paard-en-wagen. Niets leek meer op het Beijing van mijn herinneringen.

Plots zag ik het hotel voor me opdoemen, ik was gerust. Een bord in het engels gaf aan hoe je bij de hoofdingang kwam. Toen de chauffeur dit bord leek te negeren klopte ik hem op zijn schouder, misschien las hij geen engels; “That’s where you have to go, that’s the main entrance”. Maar hij schudde zijn hoofd en keerde de auto. Een man in een lange jas van de bewaking van het hotel liep op onze taxi af en gebaarde het raam naar beneden te draaien. Er werd op een brute toon wat heen en weer geschreeuwd, ik leek niet te bestaan. Zonder me iets te zeggen reed de chauffeur met piepende banden van het hotel weg de duisternis in. Iets verder stopte de taxi. “Hij gaat me toch niet midden in de nacht op straat achterlaten. Dan kan hij het krijgen ook”, dacht ik. Ik werd woest; “Bring me to the main entrance, you are not going to drop me in the middle of the street. If you think you can do this to me you are wrong!” Hij bewoog nerveus in zijn stoel, er was buiten iets  waar hij voor op zijn hoede was. Niet dat hij bang voor mij was, hij was groter dan ik en tamelijk zwaar gebouwd. “Works load, load blocked. Othehh, thele thele”, hij zij nog veel meer wat ik niet verstond. “Now bring me up to the entrance”, schreeuwde ik, “you are not going to get any money, I’ll call the police”. Ik had mijn GSM al tevoorschijn gehaald. Daarop reed hij een ander nog donkerder weggetje achter het hotel op.

Mijn hart bonkte, ik had geen schijn van kans tegen deze man. “Ben je gek geworden, ‘de Leeuw’”, raasde door mijn hoofd, “geef hem al je geld!” “This is hotel, you pay 400 renminbi”, beet hij me toe. Ik had de vier biljetten in mijn hand, maar durfde niet te betalen. Mijn koffers met de medicijnen waren nog in de achterbak, ik was bang dat hij weg zou rijden met mijn koffers. “Are you mad, I won’t accept this. Do you think I am going to walk in the dark?”, mijn angst was omgeslagen in een onderkoelde woede, “you bring my suitcases to the hotel, now”! Ik gebaarde van de achterbak naar het hotel. Hij stapte uit, knalde de deur achter zich dicht, rukte mijn koffers uit de achterbak en begon het weggetje naar het hotel met mijn koffers op te rennen.Verbouwereerd liep ik achter hem aan. Halverwege het pad liet hij mijn koffers staan. Ik gaf hem de 400 renminbi, waarop hij in de duisternis verdween.

Ik vertelde mijn verhaal aan de check-in balie van het hotel; “How much did you pay? Last week a guest was ripped off for 1.500 renminbi! These taxis never drive up to the main entrance, they are afraid of the CCTV camera’s”. De taxichauffeur was niet bang geweest voor mij maar voor de camera’s. De man achter de bali vertelde me dat hem dit ook kan overkomen en dat de Audi taxis meestal betrouwbaar zijn. “I never pay before I have my suitcases outside the taxi, then I pay what I want and walk off. But that is easier for a man”, ik had bijna alles goed gedaan, toch voelde het niet als iets om trots op te zijn.

November 2010 – Vergeten te spuiten – Met MS op zakenreis

Mijn spuiten in de koelkast

Mijn spuiten in de koelkast

Iedere avond sta ik voor de koelkast om mijn spuit uit de blauwe plastic opberghoes te halen. Al bijna twee jaar lang. En iedere maand, altijd op dezelfde weekdag, breek ik een nieuw pak van 28 spuiten aan.  In het begin was dat op dinsdag. Dat werd woensdag, ergens vorige winter toen ik tijdens een aanval voor het eerst een spuit vergat. Net terug van mijn zakenreis uit India (zie mijn vorige post) stond ik weer voor de koelkast te tellen. “Nog drie, dan kom ik op donderdag. Maar wacht even, het moet toch woensdag zijn,” de jetlag maakte het niet makkelijker; “even beter tellen. Het is toch woensdag dat ik met de nieuwe set begin?” Het hertellen had geen zin; ik was een spuit vergeten. Gelukkig is twee spuiten missen in bijna twee jaar, dus twee uit zo’n 670 keer geen probleem.

In de twee jaar, sinds ik mij iedere dag moet spuiten, heb ik alleen langeafstandsvluchten naar het westen gemaakt. Bij een tijdsverschil van zes uur moest ik dan tussen drie en vier uur s’middags spuiten om het tijdsinterval van 24 uur aan te houden. Dat kwam goed uit, spuit in de tas, even naar het damestoilet en niemand die het merkt. India was de eerste verre reis naar het oosten, met dezelfde logica kom je dan op half drie à vier in de nacht uit. En zo ben ik, zonder het te merken, een spuit vergeten!

Werken met multipele sclerose is al een uitdaging, maar met MS op zakenreis, ver van je vertrouwde familie, artsen en ziekenhuis heeft me veel angstige momenten bezorgd. Toch doe ik het, en blijf het doen zolang ik kan. Ik houd enorm van reizen, juist voor het werk. Met mensen aan de andere kant van de wereld aan hetzelfde probleem werken geeft me een groot gevoel van verbondenheid..Boven de wolken

Maar sinds deze ziekte zich zo brutaal kenbaar maakte is reizen niet meer zo vanzelfsprekend als voorheen. Planning is cruciaal geworden. Ik heb medische verklaringen bij me, extra recepten in geval mijn bagage kwijtraakt, een dubbele set medicijnen en vooral een noodnummer waarop ik mijn neurologe altijd kan bereiken. De belangrijkste medicijnen houd ik tijdens de vlucht binnen handbereik in de cabine. Ik zoek de vluchten zo uit dat ik voor en na de vergaderingen extra kan rusten. Ook probeer ik tussen de middag mijn gewoonlijke middagdutje vol te houden, en avonddiners moet ik geregeld afzeggen. Verder ga ik naar hotels met een gym of zorg ik dat ik kan gaan rennen, vooral als ik langer dan een enkele dag blijf. Mijn ervaring is dat ik zo minder last van de jetlag heb, zeker als ik in de zon van de sportinspanningen kan bijkomen. Ik denk dat het bioritme zich onder invloed van de zon sneller aanpast.

Slaap is vaak een probleem voor mensen met MS. Voor mij is rust en slapen zelfs een overlevingsstrategie. Dan zou je verwachten dat veel en ver door de tijdzones heen reizen het nog erger zou maken. Toch valt het me minder zwaar dan ik verwacht had, misschien omdat ik thuis ook al slaapmiddelen moet nemen om in te slapen. Mijn dag-nacht-ritme is door de ziekte sowieso verstoord, en mijn ‘chemische’ slaap is ver weg net zo te regelen als thuis. Gek genoeg heb ik dus niet zoveel last van de jetlag!