Boven Kazakhstan

30 mei 2013, boven Kazakhstan

30 mei 2013, boven Kazakhstan

 

31 mei 2013, New Delhi

In twee dagen heen en weer naar India voor een vergadering van één dag.

Drieënhalf uur lijkt dan niets. Ploef, weg zijn ze en terug in België komen ze er zo weer bij. Donderdagochtend vertrok ik naar New Delhi en precies twee dagen later, zaterdagochtend, landde ik weer op Zaventem.

Vijfentwintig uur op reis, waarvan vijftien in de lucht en de rest op weg of in luchthavens. Dit alles voor één dag vergaderen, hopend op een ontknoping van maanden voorbereiding. Weer kwamen we er niet uit.

In Zaventem stegen we in een dicht wolkenpak op, maar boven de Kaspische zee trok de lucht open. Uren vlogen we over de woestenijen van Kazakhstan, Turkmenistan, Pakistan en ten slotte India. In New Delhi sloeg een muur van hitte ons in het gezicht, het was er dertig graden warmer dan in Brussel.

De taxi’s, het hotel, de vergaderingen en onze tegenspelers waren vertrouwd. Een rat trippelde over een rand net onder het verlichte plafond van het restaurant. Hij zal het op ons eten gemunt hebben, niet op de koelte van de airconditioning. Ik was de enige die hem zag, de obers in hun zwarte lange broeken keken strak voor zich uit. Waarom zou je ook omhoog kijken?

Toch ben ik blij dat ik dit alles nog mee mag maken.

Geld stinkt wel! Weer op weg naar New Delhi.

Proud to be an Indian

"I am proud to be an Indian. Freedom of mind is the real freedom", verwelkomde me op de borden in de nieuwe luchthaven van New Delhi

29 Januari 2012, zondagochtend. Op de kleine videoschermen voor ons verscheen geregeld een update over hoe onze tocht vorderde.  “Vienna. Austria” schoof net onder het gele vliegtuigje op de wereldbol door toen mijn stoelmaat knoflookbrood bestelde. Dit keer was mijn vluchtmaatje een Indiase jongeman. Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat hij in designerjeans, een colbertje en een slobberig T-shirt gekleed ging. Hij had een scherp uitgesneden gezicht, wat ik niet verwachtte. Ik was op weg naar New Delhi.

In de dagen voor het vertrek was het werk als een geplande chaos over me heen gerold, de gebruikelijke voorbereiding voor het eeuwige ‘nu-of-nooit-moment’. Vergaderingen werden afgewisseld door zenuwachtige pogingen om visas te bemachtigen en onwelkome berichten over gesloten ambassades, door beoordelingsgesprekken, co-ordinatievergaderingen en een zakenlunch met medestanders. De resterende tijd werd strak opgevuld door een overweldigende massa aan documenten die op het laatste moment volledig herschreven moest worden. Tussendoor hield de continue stroom van verslagen en verzoeken om advies aan. Mijn middagdutjes moest ik noodgedwongen inkorten en ik kwam nauwelijks aan rennen toe. ’s-Avonds waren er de dierbare momenten met onze zoon en dochter die hard op weg zijn hun eigen toekomst te kiezen. Maar het ging me vlot af, ik voelde me beter dan in de maanden ervoor.

Op Zaventem was het onverwacht kalm, ik voelde een prettige spanning bij het idee dat ik snel boven de wolken zou zijn. Ik had me de voorafgaande dagen afgevraagd of de angst nog komen zou. Maar de paniekaanval zoals bij mijn laatste vlucht in november naar Peking bleef uit. Toen hadden Johan en ik ons bij onze afscheidskoffie geërgerd aan de in zwart gestoken meisjes achter de Starbucksbalie die alleen oog hadden voor mannen, niet voor passagiers. En ik had ruzie gemaakt over de verbouwing maar de paniek die door mijn hoofd spookte had ik voor Johan verborgen gehouden. Gejaagd had ik de fastlane door de douane genomen, binnen vijftien minuten zat ik toen op ‘3 K’ een plaats bij het raam. Net voor de GSM’s uitgeschakeld moesten worden hoorde ik nog even Johan’s geruststellende stem.

De ochtend voor deze reis was ik gerust wakker geworden. Geen enkel moment, ook niet eerder in de week had ik dezelfde angst gevoeld als toen ik naar Peking reisde. Ik was toen bang geweest om zo ver van mijn familie en neuroloog verwijderd te zullen zijn. Dit keer was daar niets van te bekennen. Ik draaide me nog een paar keer om om naar Johan te zwaaien, vervolgens snelde ik me naar de securitycheck.

Mijn handbagage schoof een paar keer heen en weer door het röntgenapparaat. “Insuline”, vroeg de achter het scherm ineengedoken controleur? “Nee, een ander medicijn”, antwoordde ik. Met een achteloos gebaar wuifde hij mijn voorstel om het blauwe doosje open te maken weg. Om mij heen gingen medereizigers op in het aangespen van riemen en het omslachtig aantrekken van laarzen. Boven bij het vliegtuig aangekomen bleek ik nog voldoende tijd te hebben. Er zat weinig beweging in de lange kleurige rij reizigers.

“De deuren zijn nog niet open, u kunt beter boven wachten”, klonk het ongevraagd toen ik naar de rij passagiers voor de slurf keek, “de vlucht is vertraagd”. Een slanke vrouw met kort blond haar keek me aan. Ze had mooie weemoedige bruine ogen. Niet alleen haar fijne rimpeltjes maar ook de vluchtigheid waarmee ze me aansprak deed me denken dat kaartjes controleren niet haar werk kon zijn. Terwijl ik nog nadacht over wat haar hier gebracht had en wie op dit vroege uur voor haar kinderen zou zorgen, stak ik mijn fastlane ticket in mijn paspoort. Langzaam schuifelde ik met kleurige tulbands, grijze lange baarden en potige kaalgeschoren gelukszoekers in zakenoutfit richting vliegtuig.

In het ronde gewricht, waar het laatste stukje van de slurf richting vliegtuigdeur gedraaid wordt, stond een magere oude man. Hier en daar staken nog wat blonde plukken tussen zijn grijze piekhaar. “Security” stond er op zijn jack. Ik schatte hem ver boven de zestig. Een pezige spier werd over de hele lengte van zijn magere nek zichtbaar toen hij zijn hoofd opzijdraaide. Aan zijn voeten lagen wat documenten in plastic hoezen. “Zou hij hier zijn om aan de voet van het vliegtuig vertrouwelijke spoedstukken te overhandigen?”, ik kon me niets beters bedenken, hij leek in niets op de jonge securityguards die je ook wel rond ziet paraderen. “Is dit ons voorland als we straks allemaal tot onze zeventigste moeten werken”, vroeg ik me af?

Een norse jongen met een dikke buik gebaarde, zonder me aan te kijken, dat ik naar rechts moest toen ik door de vliegtuigdeur stapte. Dat veranderde direct in een lichte buiging toen hij mijn ticket zag;”Verexcuseer mevrouw, tweede gangpad naar links”, hij liep een paar stappen met me op.

Er was een raamplaats ‘1 K’ voor me gereserveerd, zodat ik Brussel uit het gezicht kon zien verdwijnen. Net als het schietgebedje hoort dit tot mijn vertrekritueel. Maar ik kreeg een gangplaats. Het duurde even eer mijn stoelgenoot zich aandiende; een jonge man, hij stonk enorm. Ik besloot om bij de cabincrew na te vragen of ik niet mijn gereserveerde plaats bij het raam alsnog kon krijgen. De stoel bleek kapot te zijn. Ik koos voor het halfvolle glas en besloot te blijven zitten; mijn stoelgenoot zou toch niet de hele vlucht stinken, en zo kon ik ook nog wat rusten.

Deze keer vlogen we overdag, maar in de verduisterde cabine wees niets om me heen op de dag. Direct na het opstijgen startte als altijd de ijzeren routine van het ‘drankje-krantje-warm-eten-slapen-ontbijt’ van de business-class. Dat was half elf zondagochtend. Binnen anderhalf uur werden de laatste borden weggehaald en de lichten gedimd. De exotische geuren van Indiase gerechten hingen nog in de cabine. Een paar uur eerder had ik de voordeur achter me dichtgetrokken, ik was met mijn gedachten nog bij Freerk en Neeltje. Het was te onwezelijk om te gaan slapen op hetzelfde moment dat zij thuis begonnen te staan. De meeste stoelen om mij heen stonden in de slaapstand, een enkeling keek video’s of was aan het werk.

Mijn vluchtgenoot was ook gaan slapen, maar hij snurkte zo luid dat ik oordopjes moest gaan vragen. Toen werd hij wakker om naar de WC te gaan. Het was duidelijk waarom. Geld stinkt soms toch wel!

26 November 2010 – India

De eerste sneeuw op de luchthaven van Zürich.De eerste sneeuw deze winter, op zich al een gebeurtenis en zeker zo vroeg in het seizoen. Vanuit het kleine vliegtuigraampje zag ik hoe we naar beneden zakten naar de witte veldjes rond de landingsbaan in Zürich. Ik voelde me de ultieme pottekijker, niet door de stille witheid maar door al die contrasten die de laatste vier dagen aan me voorbijgetrokken waren. Het was moeilijk om tussen al die extremen jezelf terug te vinden. Ik was vier dagen op stap geweest. Waarvan twee in New Delhi, de rest op reis in vliegtuigen, luchthavens en taxi’s. In die paar dagen volgde de kou van onze winter op de zwoele nacht van de tropen en een “flatbed” slaapstoel in de businessclass van het vliegtuig op de rolstoel van een stokoude vrouw. Ook stapte ik vanuit mijn vijfsterrenhotelkamer, waar ik  7,5€ voor een paar copieën betaalde, in een riksja die aanbood me voor  30 eurocent een uur in Delhi rond te rijden.

Bij ons in het westen is een vliegtuig welhaast de grootste gelijkmaker geworden, extreme verschillen spelen geen rol meer. We zitten als sardientjes ingeblikt, op volgorde van binnenkomst, naast elkaar in die ene huls. Zo stond ik op de heenweg in de rij voor het binnengaan van het vliegtuig tussen zakenlieden, Sikhs met tulbanden en vrouwen in kleurrijke tunieken. Een stokoude Indiase vrouw kwam onze rij voorbijrollen, ze werd in een rolstoel voortgeduwd. In de ene hand hield ze haar stok, de andere hield ze bij een ieder die ze passeerde omhoog. Daarbij mummelde ze iets, alsof ze bedelde. Zo ook bij de Indiase controleur, hij negeerde de uitgestrekte hand. Zo vertrok ik, samen op weg naar India met een stokoude vrouw en dure zakenlui.

Delhi herkende ik haast niet meer, ik was er drie jaar eerder ook voor mijn werk geweest. Alle wegen waren aangepakt, palmen en bloeiende struiken volgden de hoge groen-gele trottoirbanden. “Die moeten aangeplant zijn.” dacht ik. “Voor de Common Wealth Games,” vertelde een taxichauffeur later, “die zijn hier in oktober gehouden”. Maar het verkeer had zich nog niet aan de nieuwe wegen aangepast. De massa van toeterende groen-gele auto-riksja’s, handfietsen, motoren, meestal witte autootje’s en versierde vrachtwagens bewoog zich nog steeds dwars door elkaar voort, en nog steeds zonder zich te haasten. Soms vier, soms vijf rijen dik. De nieuwe witte strepen op de weg hadden geen enkel effect en de nieuwe zebrapaden werden niet gebruikt. Misschien dat niemand uitgelegd heeft waar ze voor dienen. Het gladde wegdek leek bijna bij voorkeur door voetgangers gebruikt te worden, vooral als ze karren voortsleepten, zelfs midden op de weg en dwars tegen het verkeer in. Wat ik dit keer niet weer gezien heb zijn de heilige koeien midden tussen het verkeer. “Ik kan me niet voorstellen dat die heilige dieren voor de Games uit de stad gezet zijn”, dacht ik nog.De groen-gele auto-riksja's van New Delhi..

“Twintig Rupees”, herhaalde de auto-riksja man. Het was wat gaan regenen, en ook ik ging op de weg lopen in plaats van in de modderige berm. Zo had de auto-riksja me makkelijk de pas af kunnen snijden. Hoe ik het ook berekende, iedere keer kwam ik op dertig eurocent uit. Na mijn ervaring in het hotel ging het er niet in hoe ik voor twintig keer minder dan  negen gewone copieën in Delhi rondgereden kon worden! De man begreep niet wat er door mijn hoofd ging; “Zou ik het aandurven? Waarom openen bij de hotelpoort iedere keer twee man alle vier de deuren, de motorklep en de achterbak van de taxi?” En dan zou ik in een riksja stappen! Het kon niet kloppen; “Absoluut veilig, u hoeft zich nergens zorgen om te maken”, had iets eerder een man in pak achter de hotelbalie me verzekerd, “yes miss, zelfs in het donker, als toerist en met een handtas.” Maar die man in pak had me ook de verkeerde kant opgestuurd en de 450 Rupees voor die paar copieën bij mijn rekening geschreven. Overigens heeft die man in pak gelijk om zoveel mogelijk aan het zakenvolk uit Europa te verdienen, ik vroeg me alleen af of hij het echt meende dat een vreemde vrouw alleen op straat niet gevaarlijk zou zijn. “Of wil je me naar de winkel van je vrienden brengen,” dacht ik de riksja-man toe. Hij was klein, vriendelijk en sprak goed engels, “bij jou kan ik nog wat met dertig cent. En sinterklaas kan niet met lege handen terugkomen… en ik heb nog maar twee uurtjes…, en, eigenlijk wil ik heel graag eens in een riksja in die maalstroom zitten!” Ik keek de riksja-man nog eens van top tot teen aan; “OK”, zei ik uiteindelijk en ging midden in het kleine driewielertje zitten, met mijn armen stevig om mijn tas geklemd. Links en rechts is een riksja open, ik durfde mijn iPhone niet uit de tas te halen om er foto’s mee te maken; iedere keer zag ik gezichten die naar binnen tuurden. We passeerden dan links, dan rechts, motoren, moderne kleine europese auto’s, engelse auto’s uit de jaren vijftig die nog steeds in India gemaakt worden, fietsen en van alles wat loopt of rijdt. Ik kneep mijn ogen dicht toen het karretje luid toeterend door een opening voor een vrachtwagen door schoot; “Niet zeuren, dat wilde ik toch!” zei ik zonder dat het boven de herrie uitkwam. Na veertig minuten waren we nog niet ter plekke. “Dat komt door de verkeersdrukte. Over een minuut zijn we er”, zei de riksja-man over zijn schouder. Ik had me al bedacht hoe ik uit het karretje zou springen als we er over een minuut niet zouden zijn; “Stel dat hij naar een buitenwijk rijdt, en…”. Plots kwamen we op een grote weg uit, en beetje bij beetje begon hij zijn riksja dwars op de stroom door het verkeer te duwen. Iedereen toeterde, maar nu kon ik al die chauffeurs in het gezicht kijken en zag dat ze niet opgewonden waren. Dat toeteren dient alleen om te laten horen waar je bent, als een soort spiegels voor de oren.

Aan de overkant was de winkel, precies een minuut later. De riksja-man stapte uit en duwte het karretje achteruit tussen twee andere riksja’s. Ik keek hem aan en bedacht dat ik hem nodig had om terug naar het hotel te gaan. Voor twintig Rupees wilde hij wel wachten en me terugbrengen; “Als ik je nou 200 Rupees betaal, zou je me dan ook nog willen helpen in deze winkel? Dan kan je mij de normale prijzen geven, en zeggen of ik geen rotzooi koop.” Hij keek me met een scheef hoofd aan, en toen even naar de mensen in de winkel; “OK.” zei hij weifelend. Moest hij zich bedenken hoe hij zich hier met zijn vrienden uit zou redden? Koppen thee, verhalen over zijdetapijten, opgenaaide edelstenen en aantallen knopen volgden. De prijs ging van 860 naar 160€ maar ik kocht niets bij de tapijtenman. Toen kwamen de tunieken; “Uitstekende kwaliteit, kan zelfs in de wasmachine, echte zijde en kreukt nooit!”, wild verfrommelde de man de stof. Die van Neeltje die ik drie jaar geleden op net zo’n markt, na hetzelfde verfrommelen kocht, is nu onherkenbaar. Op een onbewaakt moment belandde hij in de waswand! Maar mijn riksja-man deed zijn werk, toen ik later de prijzen op de luchthaven zag voelde ik me minder die idiote toerist.

Ook de olifantjes met slurf naar boven (gastvrijheid en geluk) of naar beneden, hindoegoden, safraan, thee en indiase kruiden kon ik niet ontlopen. “Ik zoek geen kruiden, in Brussel zijn ook indiase winkels,” verweerde ik me, “en Indiërs”. Ik begon een beetje dwars te worden, ze hadden me indiase cosmetica beloofd. “Ik zal mijn alleruiterste best doen!”, vervolgens reed mijn riksja-man me door kleine straatjes met stalletjes links en rechts. De meeste huizen waren simpele kubussen van cementblokken met lappen als deuren. Buiten werd rond kleine vuurtjes gekookt, gezeten en gegeten. Ik werd aangestaard alsof ik een mislukt hindoebeeld op de achterbank van zijn auto-riksja was; “Nu wordt het pas echt,” juichde ik, “hier ben ik meer dan een toerist met een zak geld”. Riksja-man hing uit zijn wagentje bij een drogisterij-stalletje; “Kajal?”, verstond ik. Even later klom ik de auto-riksja in met Kajal Himalaya mascara netjes in een voorgeplakt zakje van gerecycleerde krant gestoken.

De mascara Kajal in een geplakt krantenpapiertje.

Inmiddels was het spitsuur voorbij, veel te hard naar mijn zin reden we in het gammele karretje terug naar het hotel. Hobbelend op het achterbankje haalde ik de Kajal uit het krantenzakje, dat keurig en zonder vlekken te maken in elkaar was geplakt. “Hoe is het toch mogelijk dat kranten die s’ochtends achteloos in zwarte stoffen zakken aan de deurknop van je hotelkamer hangen, zoveel waard zijn dat er honderd meter verderop met liefde pakpapierzakjes van geplakt worden?” speelde door mijn hoofd. Ik mocht nog een foto maken van de auto-riksja, maar geneerde me ervoor om uitgebreid met mijn iPhone te fotograferen. Het werd een klungelige foto overheerst door het stralende licht van de riksja. Ik betaalde mijn riksja-man veel meer dan de 200 Rupees en bedankte hem voor het geweldige avontuur. Mijn werk ging goed, alhoewel we niet de resultaten haalden die we gehoopt hadden. Toch werd het geplakte pakpapierzakje mijn dierbaarste souvenir.De auto-riksja waarmee ik Delhi rondreed