De duif

Een duif

Een duif

Zaterdag 19 September 2009.
Iemand mompelde wat over een gebroken huwelijk en een lange nacht. Ik keek op, drie banken verder hield een grote slungelige jongen zich staande in het middenpad. ‘Mijn ouders zijn uit elkaar’, herhaalde hij toonloos, ‘ze hebben me op straat gezet.’

Even slingerde de metro hem wild heen en weer. Hij verzette zich niet. ‘Doe wat!’, wrong zich door mijn gedachten. Een van de twee jonge meisjes tegenover mij dook in haar tas. Ze moesten hun eerste loon nog verdienen. ‘Ik ken nog zo’n jongen’, vertelde ze haar vriendin terwijl ze al het losse geld in haar hand schudde.

Aan de andere kant van het gangpad zat een meisje met een hoofddoek. Ze haalde een banaan uit een grote zak met allerlei huishoudartikelen aan haar voeten. Ik dacht aan mijn kinderen, ik gaf niets, ik sloeg een blad om.

Die jongen heeft zijn leven al verloren, vertelde ik mezelf terwijl ik de metro uit vluchtte. Door zijn ouders bij het straatvuil gezet. Wie zijn er dan nog? De bedelbroeders van Franciscus zongen over honger, vogels en vuur. Ze lachen me uit, dacht ik.

In mijn ooghoek dook een duif op. Het dier lag op de rug met de vleugels uitgespreid rond zijn kop. Op de ingevallen ogen zat al een glimmende groene vlieg. Sprak Gabriël, de aartsengel, de doodsengel? Ik probeerde weg te komen. Plots bewoog zijn linkerpoot.

Ik voelde zijn schim achter me. Met een ruk draaide ik me om en strekte mijn hand uit, de laatste wagon verdween in het gat. Toen liep ik op de vogel toe, leefde hij nog? Kon ik helpen? Zijn poot bewoog nog heftiger. De borst schokte. Zwartgele torren, doodgravers, vluchtten onder het lijk. Ik hield in, even was de duif dood, toen werd de aangevreten poot weer opgeheven.

Een doodgraver en een dode vogel

Een doodgraver en een dode vogel