The Blind men and the Elephant. A Hindoo Fable, by John Godfrey Saxe (1816-1887).
(niet het volledige gedicht).
It was six men of Indostan
To learning much inclined,
Who went to see the Elephant
(Though all of them were blind),
That each by observation
Might satisfy his mind.
And so these men of Indostan
Disputed loud and long,
Each in his own opinion
Exceeding stiff and strong,
Though each was partly in the right,
And all were in the wrong!
In september vorig jaar las ik over de tweeduizend jaar oude oosterse wijsheid van de “zes blinden en de olifant”. De gelijkenis met al wat er nu rond CCSVI speelt trof me en inspireerde me tot de tekening hierboven en tot het volgende verhaal.
Het was een donkere dag, een zware regen joeg de mensen uiteen. Juist op dat moment waren zes wijzen naar elkaar op zoek. Ze waren al sinds hun geboorte blind. Een mysterieuze ziekte bond ze, een ziekte van het brein, een ziekte die lichaam en geest treft. Een vreemd groot beest was met de komst van de regens het dorp binnengetrokken, het leek alsof al wat ze ooit over de ziekte geleerd hadden weggespoeld werd. Een voorbijganger had ze verteld dat het een olifant was.
Ze besloten samen te gaan zien hoe een olifant eruitziet. De handen ineengeslagen trokken ze zonder vrees het beest tegemoet. Maar al snel sloeg hun overmoed om in angst, ze tastten in het duister en schuifelden voort tot ze op een grote logge massa stootten. De blinden voelden hoe het hun vertrouwde wereld binnendrong.
Ontredderd zochten ze hulp bij elkaar en deelden hun bevindingen. “Ik vond een touw”, zei de eerste. “Dat kan niet, het was als een grote boom. Een eik,” zei de tweede, de derde verweerde zich,“maar het moet een muur zijn, dik als een gevangenismuur!” “Jullie zitten allemaal fout,” bracht de vierde ertegenin, “het is gevaarlijk, het valt je aan met een scherpe speer!” De vijfde probeerde ze tot bedaren te brengen; “Laten we het wat langer aanzien, ik vond een waaier. Een hele grote, zo een die verkoeling brengt! Dat kunnen we gebruiken om de gemoederen tot bedaren te brengen” De zesde hoorde alles aan en riep bezorgd; “Dit is nieuws! Hier wordt zeker overal naar geluisterd. Het is een slang, een vuilspuitende slang.”
De wijzen gingen in een kring zitten, ze brachten ieder op hun buurt op hoge toon verslag uit over het touw, de eik, de muur, de speer, de waaier dan wel de slang die ze gezien hadden. Toen viel een stilte, ze hielden elkaar vast; “Misschien hebben we ieder maar een deeltje van de olifant gezien.” De oudste hoorde het aan, stond op en zei; “Zo is het, we hebben allemaal het beest gezien, toch weet geen van ons nu wat een olifant is. Ieder van ons zit ernaast, maar samen zijn we dichter bij de waarheid gekomen. Deze mysterieuze ziekte is meer dan ieder voor ons kan zien!”
De eerste wijze stond op en vertelde aldus over wat hij gezien had opdat ieder ervan kon leren… (volgende post)
