De testen waren afgerond. Als laatste volgde uitgebreid oogonderzoek, en weer was het een jonge arts die tijd voor me nam. “Met uw ogen is gelukkig niets mis. Vaak is dat wel zo. Ik zie veel patienten zoals u, voor mij zou de diagnose multipele sclerose moeilijker te verwerken zijn dan kanker of suikerziekte. Sterkte!” Ik vroeg nog waarom, maar het antwoord is me niet bijgebleven. Terug op mijn kamer stapelden de vragen zich op. Ik dacht aan de oude moeder met haar verdwaasde dochter, hoe ze keurig als door een ringetje te halen in haar rolstoel zat en hoe haar moeders hand op haar schouder rustte. En ik dacht aan de vriendelijke professor urologie; “Heeft hij al die tijd vermoed dat ik MS had?”, vroeg ik me af. Het stoorde me niet dat hij er nooit over gesproken had. Misschien hadden we allebei zandzakken nodig tegen de maalstroom van chronische ziekten. Nog nooit was de verstomming door multipele sclerose zo dichtbij geweest.
“Goed, beter, dank u”; zei Dora de volgende ochtend weer tegen me en ook het meisje van de thermometer en de hartslag dacht weer een rekenfout gemaakt te hebben. Toch was er nieuws, de verpleegsters waren opgetogen over Dora; ze wist welke dag het was. Over mij was er niets te melden, behalve dat er in mijn ruggemerg niets gevonden was en dat mijn ogen goed waren. Er werd me een neuroloog toegewezen, maar die had de eerste twee maanden geen tijd. Als ik meer wilde weten moest ik op de zaalronde wachten, die was pas de volgende dag.
Aan het eind van de volgende middag kwamen ze; de professor en een vijftal studenten. Allemaal witte jassen, de studenten met schrijfblokken, de professor had haarzelf. Ze was lang en statig, we waren ongeveer even oud. We keken elkaar aan; “Het zal u niet verbazen, u hebt multipele sclerose. Geen twijfel mogelijk. Waarschijnlijk al heel lang.” Het grijs van de avond kwam de kamer binnen, buiten was nog een dunne strook licht boven de stad te zien. Het werd stil, ik was nu patient, we spraken niet als artsen, ik was alleen. Ik stelde vragen maar zag geen antwoord, de nacht kwam tussen beiden. “Er is geen reden waarom er iets in uw leven zou moeten veranderen,” antwoordde ze op mijn vragen over hoe het verder moest, over stress op het werk, stress thuis, lange vliegreizen, eten, sport…., “u kunt nog steeds de Mont Blanc op, zo te zeggen, alleen de Himalaya beter niet!” ’s Nachts dragen geluiden ver, ik heb altijd van de schemer gehouden. Haar heldere stem klonk alsof hij uit het dorp aan de andere kant van ons dal kwam. “Het hart kan aangetast raken als er toevallig een lesie rond de kern die het hartritme regelt ontstaat. Maar dat komt maar zelden voor”, zei ze op mijn vraag naar de aantasting van het autonome zenuwstelsel. Toen keek ze me indringend aan; “Denkt u dat u het zover gebracht zou hebben als u al die jaren dit geweten had?” De kamer tolde in het duister, nog steeds naar links, zoals het al bijna drie maanden deed, en wat het voorheen nooit gedaan had. Toen liep ze door naar Dora.
