De eerste sneeuw deze winter, op zich al een gebeurtenis en zeker zo vroeg in het seizoen. Vanuit het kleine vliegtuigraampje zag ik hoe we naar beneden zakten naar de witte veldjes rond de landingsbaan in Zürich. Ik voelde me de ultieme pottekijker, niet door de stille witheid maar door al die contrasten die de laatste vier dagen aan me voorbijgetrokken waren. Het was moeilijk om tussen al die extremen jezelf terug te vinden. Ik was vier dagen op stap geweest. Waarvan twee in New Delhi, de rest op reis in vliegtuigen, luchthavens en taxi’s. In die paar dagen volgde de kou van onze winter op de zwoele nacht van de tropen en een “flatbed” slaapstoel in de businessclass van het vliegtuig op de rolstoel van een stokoude vrouw. Ook stapte ik vanuit mijn vijfsterrenhotelkamer, waar ik 7,5€ voor een paar copieën betaalde, in een riksja die aanbood me voor 30 eurocent een uur in Delhi rond te rijden.
Bij ons in het westen is een vliegtuig welhaast de grootste gelijkmaker geworden, extreme verschillen spelen geen rol meer. We zitten als sardientjes ingeblikt, op volgorde van binnenkomst, naast elkaar in die ene huls. Zo stond ik op de heenweg in de rij voor het binnengaan van het vliegtuig tussen zakenlieden, Sikhs met tulbanden en vrouwen in kleurrijke tunieken. Een stokoude Indiase vrouw kwam onze rij voorbijrollen, ze werd in een rolstoel voortgeduwd. In de ene hand hield ze haar stok, de andere hield ze bij een ieder die ze passeerde omhoog. Daarbij mummelde ze iets, alsof ze bedelde. Zo ook bij de Indiase controleur, hij negeerde de uitgestrekte hand. Zo vertrok ik, samen op weg naar India met een stokoude vrouw en dure zakenlui.
Delhi herkende ik haast niet meer, ik was er drie jaar eerder ook voor mijn werk geweest. Alle wegen waren aangepakt, palmen en bloeiende struiken volgden de hoge groen-gele trottoirbanden. “Die moeten aangeplant zijn.” dacht ik. “Voor de Common Wealth Games,” vertelde een taxichauffeur later, “die zijn hier in oktober gehouden”. Maar het verkeer had zich nog niet aan de nieuwe wegen aangepast. De massa van toeterende groen-gele auto-riksja’s, handfietsen, motoren, meestal witte autootje’s en versierde vrachtwagens bewoog zich nog steeds dwars door elkaar voort, en nog steeds zonder zich te haasten. Soms vier, soms vijf rijen dik. De nieuwe witte strepen op de weg hadden geen enkel effect en de nieuwe zebrapaden werden niet gebruikt. Misschien dat niemand uitgelegd heeft waar ze voor dienen. Het gladde wegdek leek bijna bij voorkeur door voetgangers gebruikt te worden, vooral als ze karren voortsleepten, zelfs midden op de weg en dwars tegen het verkeer in. Wat ik dit keer niet weer gezien heb zijn de heilige koeien midden tussen het verkeer. “Ik kan me niet voorstellen dat die heilige dieren voor de Games uit de stad gezet zijn”, dacht ik nog.
.
“Twintig Rupees”, herhaalde de auto-riksja man. Het was wat gaan regenen, en ook ik ging op de weg lopen in plaats van in de modderige berm. Zo had de auto-riksja me makkelijk de pas af kunnen snijden. Hoe ik het ook berekende, iedere keer kwam ik op dertig eurocent uit. Na mijn ervaring in het hotel ging het er niet in hoe ik voor twintig keer minder dan negen gewone copieën in Delhi rondgereden kon worden! De man begreep niet wat er door mijn hoofd ging; “Zou ik het aandurven? Waarom openen bij de hotelpoort iedere keer twee man alle vier de deuren, de motorklep en de achterbak van de taxi?” En dan zou ik in een riksja stappen! Het kon niet kloppen; “Absoluut veilig, u hoeft zich nergens zorgen om te maken”, had iets eerder een man in pak achter de hotelbalie me verzekerd, “yes miss, zelfs in het donker, als toerist en met een handtas.” Maar die man in pak had me ook de verkeerde kant opgestuurd en de 450 Rupees voor die paar copieën bij mijn rekening geschreven. Overigens heeft die man in pak gelijk om zoveel mogelijk aan het zakenvolk uit Europa te verdienen, ik vroeg me alleen af of hij het echt meende dat een vreemde vrouw alleen op straat niet gevaarlijk zou zijn. “Of wil je me naar de winkel van je vrienden brengen,” dacht ik de riksja-man toe. Hij was klein, vriendelijk en sprak goed engels, “bij jou kan ik nog wat met dertig cent. En sinterklaas kan niet met lege handen terugkomen… en ik heb nog maar twee uurtjes…, en, eigenlijk wil ik heel graag eens in een riksja in die maalstroom zitten!” Ik keek de riksja-man nog eens van top tot teen aan; “OK”, zei ik uiteindelijk en ging midden in het kleine driewielertje zitten, met mijn armen stevig om mijn tas geklemd. Links en rechts is een riksja open, ik durfde mijn iPhone niet uit de tas te halen om er foto’s mee te maken; iedere keer zag ik gezichten die naar binnen tuurden. We passeerden dan links, dan rechts, motoren, moderne kleine europese auto’s, engelse auto’s uit de jaren vijftig die nog steeds in India gemaakt worden, fietsen en van alles wat loopt of rijdt. Ik kneep mijn ogen dicht toen het karretje luid toeterend door een opening voor een vrachtwagen door schoot; “Niet zeuren, dat wilde ik toch!” zei ik zonder dat het boven de herrie uitkwam. Na veertig minuten waren we nog niet ter plekke. “Dat komt door de verkeersdrukte. Over een minuut zijn we er”, zei de riksja-man over zijn schouder. Ik had me al bedacht hoe ik uit het karretje zou springen als we er over een minuut niet zouden zijn; “Stel dat hij naar een buitenwijk rijdt, en…”. Plots kwamen we op een grote weg uit, en beetje bij beetje begon hij zijn riksja dwars op de stroom door het verkeer te duwen. Iedereen toeterde, maar nu kon ik al die chauffeurs in het gezicht kijken en zag dat ze niet opgewonden waren. Dat toeteren dient alleen om te laten horen waar je bent, als een soort spiegels voor de oren.
Aan de overkant was de winkel, precies een minuut later. De riksja-man stapte uit en duwte het karretje achteruit tussen twee andere riksja’s. Ik keek hem aan en bedacht dat ik hem nodig had om terug naar het hotel te gaan. Voor twintig Rupees wilde hij wel wachten en me terugbrengen; “Als ik je nou 200 Rupees betaal, zou je me dan ook nog willen helpen in deze winkel? Dan kan je mij de normale prijzen geven, en zeggen of ik geen rotzooi koop.” Hij keek me met een scheef hoofd aan, en toen even naar de mensen in de winkel; “OK.” zei hij weifelend. Moest hij zich bedenken hoe hij zich hier met zijn vrienden uit zou redden? Koppen thee, verhalen over zijdetapijten, opgenaaide edelstenen en aantallen knopen volgden. De prijs ging van 860 naar 160€ maar ik kocht niets bij de tapijtenman. Toen kwamen de tunieken; “Uitstekende kwaliteit, kan zelfs in de wasmachine, echte zijde en kreukt nooit!”, wild verfrommelde de man de stof. Die van Neeltje die ik drie jaar geleden op net zo’n markt, na hetzelfde verfrommelen kocht, is nu onherkenbaar. Op een onbewaakt moment belandde hij in de waswand! Maar mijn riksja-man deed zijn werk, toen ik later de prijzen op de luchthaven zag voelde ik me minder die idiote toerist.
Ook de olifantjes met slurf naar boven (gastvrijheid en geluk) of naar beneden, hindoegoden, safraan, thee en indiase kruiden kon ik niet ontlopen. “Ik zoek geen kruiden, in Brussel zijn ook indiase winkels,” verweerde ik me, “en Indiërs”. Ik begon een beetje dwars te worden, ze hadden me indiase cosmetica beloofd. “Ik zal mijn alleruiterste best doen!”, vervolgens reed mijn riksja-man me door kleine straatjes met stalletjes links en rechts. De meeste huizen waren simpele kubussen van cementblokken met lappen als deuren. Buiten werd rond kleine vuurtjes gekookt, gezeten en gegeten. Ik werd aangestaard alsof ik een mislukt hindoebeeld op de achterbank van zijn auto-riksja was; “Nu wordt het pas echt,” juichde ik, “hier ben ik meer dan een toerist met een zak geld”. Riksja-man hing uit zijn wagentje bij een drogisterij-stalletje; “Kajal?”, verstond ik. Even later klom ik de auto-riksja in met Kajal Himalaya mascara netjes in een voorgeplakt zakje van gerecycleerde krant gestoken.
Inmiddels was het spitsuur voorbij, veel te hard naar mijn zin reden we in het gammele karretje terug naar het hotel. Hobbelend op het achterbankje haalde ik de Kajal uit het krantenzakje, dat keurig en zonder vlekken te maken in elkaar was geplakt. “Hoe is het toch mogelijk dat kranten die s’ochtends achteloos in zwarte stoffen zakken aan de deurknop van je hotelkamer hangen, zoveel waard zijn dat er honderd meter verderop met liefde pakpapierzakjes van geplakt worden?” speelde door mijn hoofd. Ik mocht nog een foto maken van de auto-riksja, maar geneerde me ervoor om uitgebreid met mijn iPhone te fotograferen. Het werd een klungelige foto overheerst door het stralende licht van de riksja. Ik betaalde mijn riksja-man veel meer dan de 200 Rupees en bedankte hem voor het geweldige avontuur. Mijn werk ging goed, alhoewel we niet de resultaten haalden die we gehoopt hadden. Toch werd het geplakte pakpapierzakje mijn dierbaarste souvenir.
