18 September 2009
Het was een prachtige kalme septemberochtend. De zomer was warm geweest, de hitte had het smalle pad langs het speelveldje uitgedroogd. Iedere ochtend nam ik dit paadje naar de metro. Meestal keek ik dan naar mijn voeten om de modderpoelen te ontwijken, nu was het pad hard en hoefde ik mijn ogen niet op de grond gericht houden.
De rij hoge grijze wilgen aan het eind van het veldje veranderde al van kleur. De wilgen waren er vast uit zichzelf opgeschoten, niemand had ze geknot. De kleine grijze blaadjes bewogen loom in een opkomend briesje. Boven de wilgen aarzelde nog een blauwige ochtendmist. De bleekgele zon liet zich schoorvoetend boven de kruinen zien, inmiddels waren haar stralen ook tot de laagste balkons en de tuintjes tussen de hoge flatgebouwen doorgedrongen. Er was al een moeder die met haar dochtertje op de schommel speelde. Toch trok het spel van de vertrekkende zomer of zelfs maar de mooie najaarsochtend me niet aan. Het was vrijdag, iets na half negen.
Mijn gedachten waren wazig en niet samenhangend; dan weer dacht ik aan het onbekende ziekenhuis waar ik dinsdag geweest was, dan weer aan al het extra werk wat ik die week had moeten doen. Even stond ik stil waar het smalle paadje naar beneden dook door een dichte haag struiken, voor het vlakbij de metro uitkwam. Ik keek naar een late tjiftjaf die zonder ophouden door de wilgentakken buitelde op zoek naar insecten. De meesten waren al naar het zuiden vertrokken.
Langs het spoor was een verhoogd wandelpad aangelegd. Vanuit de metro zag ik de eerste graffiti op de nieuwe, in zandkleurig metselwerk opgetrokken wanden. Kleurrijke opstandige schilderingen waren het. Voorheen genoot ik van graffiti, van deze verboden kunst op een gestolen plaats, op een gestolen moment. De vertrokken gezichten en de uitgerekte figuurtjes op het metselwerk staarden als dieven in de nacht naar de kinderen op het wandelpad, of naar de voorbijgangers in de metro. Niemand leek ze te zien. Ik probeerde ze niet te zien.
De graffiti schoof voorbij, in mijn gedachten verscheen het indrukwekkende MRI apparaat waar ik een paar dagen daarvoor ingeschoven werd. Een prachtig nieuw apparaat, een enorme licht-grijsgroene massieve cilinder met een klein gat in het midden waar je door naar binnen wordt geduwd. Als een kurk in een fles. Ook dit apparaat had zijn eigen kamertje, met glazen wanden waarachter iedereen zich terugtrekt als het apparaat aan zijn luidruchtige werk begint.
Op die dinsdagavond waren we naar een perifeer ziekenhuis in een tegen Brussel aanleunend stadje gestuurd. Daar was nog ruimte voor een spoed-MRI. Aan het eind van de dag konden we aanschuiven. Mij kwam dat goed uit, zo hoefde ik de afspraken op mijn werk niet om te zetten en niemand te vertellen dat er iets aan me scheelde. Johan was me komen ophalen. Na een trage tocht door het Brussels stadsverkeer en daarna langs een eindeloos kanaal met aan de andere kant lage industrieële gebouwen, belandde we in het stadje. We hobbelden over wat oude straatjes door het centrum. Het regende, de stadslichten weerkaatsten in de glimmende kinderkopjes.
Er was weinig bedrijvigheid in het ziekenhuis, het leek of het personeel al naar huis was. Aan het plafond hangende bordjes en lijnen in het linoleum op de vloer wezen ons de weg naar de Radiologie afdeling.
Ik had nauwelijks mijn lijstje ingevuld of ik werd al door iemand in een witte jas maar zonder stethoscoop, naar de kleedhokjes gestuurd. Ze leken op de startkooien van wedstrijdduiven, allemaal gelijke deurtjes op een rij, je ging erin, kleedde je om en was klaar om bij het startsein uit te vliegen. ‘Nee, geen pacemaker en geen implantaten” antwoordde ik voordat de vraag uitgesproken was.
Ik kleedde me snel om, deed mijn sieraden en horloge uit en liep in mijn schort naar buiten. Maar in dit ziekenhuis moest dat niet zo, ik werd door iemand in een vaalblauwe jas in mijn hokje teruggestuurd. Ik moest op het krukje blijven zitten tot erop de deur geklopt werd. Zo braaf was ik niet, ik zat nog in mijn strakke werkstramien en gaf me niet zomaar over aan de orders van een onbekend ziekenhuis. Ik ging naar buiten, in het hokje naast mij hingen designerjeans aan het haakje en op het ronde krukje lag een verlaten boven- en ondergebit; stille getuigen van een medepatiënte.
Een wat oudere vermoeide verpleegster ving me op, ze keek me nauwelijks aan. Al snel had ik onenigheid met haar, ze kon me niet vertellen hoe ik mijn dapper bewaakte cd-schijfje met de vier vorige MRI-beelden terug zou krijgen. Op mijn werk werd er op gehamerd dat niemand anders dan de persoon zelf over zijn persoonlijke gegevens beslist. Maar in het ziekenhuis, als patiënt, was je kennelijk per definitie niet meer toerekeningsvatbaar en mocht iedereen behalve de patiënt zelf over zijn gegevens beschikken. Maar goed, ik bond op tijd in en stelde me verder op als een onmondige patiënt. Toen werd het opeens veel gezelliger.
Ik ging op de bank van het MRI-apparaat liggen, de alarmknop hield ik angstvallig vast en langzaam schoof ik op mijn rug liggend de buis in. Ik verwachtte het niet lang uit te zullen houden. De dagen ervoor had ik alleen op mijn linkerzijde kunnen slapen. Op de rug-, buik- en rechterzijde hield ik het niet uit, zelfs niet met pijnstillers. Maar tegen mijn verwachting in deed het op de rug liggen geen pijn meer.
De eerste muziek was van Bob Marley, mijn geliefde reggae. Ik vertelde me dan dat het monotone verdovende ritme de zenuwimpulsen weer op zijn plaats schudde, ze zouden zich dan weer een pad kunnen banen langs de littekens in mijn gehavende brein.
Voor het tweede onderdeel van de scan moest een contrastvloeistof ingespoten worden. De verpleegster in de vaalblauwe jas was vervangen door een vrolijke jonge vrouw met kort zwart rechtopstaand haar. “Kijk,” lachtte ze terwijl ze me iets uit het apparaat liet schuiven, “het infuus loopt al.” Ik was begonnen haar te vertellen dat ik lastige vaten had en dat ze de laatste keer, na een uur steeds dieper onder mijn huid wroetend, uiteindelijk een slagadertje aanprikten. Dit keer had ik niets gemerkt, wel voelde ik de contrastvloeistof mijn vaten inlopen, maar dat deed geen pijn.
Terwijl ik door de metroramen naar de jonge dag keek, herinnerde ik me hoe we die dinsdag in het donker naar huis waren gereden. We waren gerust dat er naar mijn hersenen gekeken werd. De metro had al twee haltes aangedaan, de plaatsen naast en voor mij waren opgevuld met mensen die niets zeiden. Het verhoogde wandelpad lag achter ons, ik was blij dat de grafitti uit het zicht verdwenen was.
Het bleke licht scheen blauw over de bramen en klimop in de begroeide hellingen langs het spoor, van de ochtendmist was niets meer te zien. Ik dacht aan mijn werk en de tegenstrijdige werelden waarin ik geworpen was. De dag ervoor had ik twee vergaderingen voor een zieke collega over moeten nemen. Daarnaast had ik ook een juridische tekst aangepast. Ik was tevreden, het was me goed afgegaan. Maar het was te veel geweest. Ik kon die ochtend niet uit bed komen.
Ik herinnerde me dat toen de gedachte aan een misschien te zware dag niet in me opgekomen was. Dat kwam altijd later, iedere keer weer, in een gestolen moment, op een gestolen plaats, staarde het verwrongen gezicht van de ziekte je aan. “Werken de medicijnen niet, of is het een afstraffing voor te hard werken”, vroeg ik me dan af, “en dat terwijl ik het zelf niet door had dat het te zwaar werd. Ik weet dat injecties alleen remmen, slechts 30% minder aanvallen zegt men. Maar met mij zal het wel meevallen. Waarom is het zo ingewikkeld? Is deze twijfel ook de ziekte, iets wat tussen mij en de wereld is gekomen? Als een spook in de telefooncentrale dat de verkeerde verbindingen legt.”
“Mijn leven is mooi en vol rijkdom; twee prachtige kinderen, een lieve man en een geweldige moeder. Ik heb al een heel leven achter de rug, veel gereisd, in verschillende landen gewerkt en vaak met bijzondere mensen kunnen samenwerken. Ook nu heb een geweldige baan in het hart van Europa, ik ben vaak op zakenreis en leef met veel nieuwe talen, culturen en gezichten. Toch is het verdriet sterker, zoals vandaag. Niemand ziet iets, ik werk als altijd. Misschien iets minder maar nog altijd te veel. Ik ben altijd moe, soms duizelig en nu is er iets niet in orde met mijn arm.”
Het was donker toen de metro weer langs het verhoogde wandelpad schoof. Tevergeefs keek ik naar de graffiti uit.



We leven in de dualiteit, en ik (misschien als enige?) heb daar een bloedhekel aan. Toch weet ik dat ik daar niet veel aan kan veranderen. Vroeger zei men altijd: verbeter de wereld, begin bij jezelf. Dat vond ik toch een dooddoener en een afknapper. Als kind en jong-volwassene ervoer ik die dualiteit niet zo sterk. Dat kwam pas later, toen de dualiteit in mij wakker werd. Mijn geest is helder en kan en wil nog alles (lopen, fietsen, gewoon), het lichaam heeft daar geen zin meer in. Maar ik heb ook geen zin meer in het gevecht, niet met anderen en al helemaal niet met mezelf. Soms ervaar ik dat als verlies, soms als winst, soms als opgeven, soms als overgeven. Dat laatste voelt het mooist.
Lieve groet, Peter
Hi Peter, dank je voor je reactie. Het is geweldig motiverend om te zien dat mijn posts iets losmaken.
Bedoel je met dualiteit ook strijd, misschien onze strijd tussen wat we willen maar niet meer kunnen? Voor mij is dat zeker zo. Nog steeds wordt ingehaald door het “niet meer kunnen”. Ik heb nog niet geleerd om me daar aan over te geven, ik zoek toch nog naar een vervanging van dat “kunnen”. Maar ik heb een, misschien wel ijdele of dwaze hoop, dat het wéll alletwee kan. Niet kunnen én toch iets vinden waar ik op zo’n moment van geniet.
Liefs, Julie
Hoi Julie,. Ja ik denk dat dualiteit altijd gepaard gaat met strijd. In onszelf, omdat we iets willen maar niet kunnen, maar ook buiten onszelf, omdat we iets van anderen willen. Misschien is dat ook wel onze grootste opgave in ons leven. We worden grootgebracht met het idee dat als je maar iets sterk genoeg wilt, het ook gaat gebeuren. Werken met intentie is op dit moment nogal populair (bv. bij Ophra). Ik vind dat je daar wel wat voorzichtig mee mag omgaan, ook in je persoonlijk leven. Er is niets mis met intenties of iets willen, maar als daardoor strijd ontstaat, ga je volgens mij je wil opleggen aan anderen of jezelf. Moeilijk om steeds de grens te vinden. En om met teleurstelling, frustratie, boosheid of angst als gevolg daarvan om te gaan. Ik vind dat altijd lastig, zeker als je weet dat het je eigen emoties zijn en dus niemand de schuld daarvan kunt geven. Nou ja. Ik heb nog wel wat werk te doen en blijf maar vrolijk bij het idee dat eigenlijk allemaal best leuk is om dit mee te maken. Ik geloof dat je de leuke dingen zelf wel moet willen zien. Dat vind ik zo bijzonder aan je verhalen. Ondanks alles, straalt dat er doorheen. Keep up the good work!
Liefs Peter